Ik draaide zenuwachtig mijn lichaam om. Als dat wijf haar vader ging roepen, kwamen er vast meer mensen. Ik moest haar nu onmiddellijk meenemen. Zonder na te denken, sprong ik vooruit en greep ik haar bij haar middel. Mijn hand bedekte haar mond, en ik hefte haar langzaam op.
Ze spartelde ongelofelijk tegen. De punt van haar voet raakte steeds maar weer het midden van mijn rug. Wanhoop nabij had ze één van haar armen vrijgekregen, en krabte ze hard in mijn gezicht. Net op mijn oog. Ik wist de pijn te negeren en rende voort.
Want als ik hier niet tijdig weg was, kon ik wel wat erger toegetakeld worden.




